De drie waterdruppels

Het was op een zondagmorgen begin januari ergens in de vorige eeuw. In het kader van de goede voornemens voor het nieuwe jaar hadden we de avond tevoren afgesproken deze ochtend naar de kerk te gaan in een naburig dorp. Met moeite onttrokken we ons aan het warme bed om beneden te constateren dat de vorst prachtige patronen van bloemen op de ramen had getekend. Maar buiten was het ijskoud. Onze auto was verdwenen onder een dikke laag sneeuw en daaronder troffen we dichtgevroren portieren aan. Daarbij was het nog mistig ook. Onze eerste opwelling was meteen terug te keren naar dat heerlijke bed voor een lange winterslaap. Maar ja, nu we toch al zover waren, was dit een uitstekende gelegenheid voor een gezonde frisse ochtendwandeling.

Dapper gingen we op pad voor een tocht van zo’n vier kilometer. De bevroren sneeuw knarpte onder onze eerste voorzichtige voetstappen. Waarschijnlijk lag de kantonnier nog op één oor, want al snel leidde een spiegelgladde weg tot een noodlanding in de sneeuw.

Aquarel Ans Sanner. Voor meer van haar werk, zie: http://ans.joopsanner.nl

Tegelijk met het luiden van de torenklok verschenen een uurtje later twee levende sneeuwpoppen bij de kerk, verbaasd gadegeslagen door de enkele andere levende wezens die zich buiten durfden te wagen.

Binnen was het ook een troosteloos gezicht met al die lege kerkbanken. Toch bleken er, gemeenteleden en dienstdoend personeel bij elkaar, welgeteld nog 54 mensen present te zijn. De dominee was daar best verheugd over, want hij heette ons enthousiast welkom: “Lieve mensen, ik ben blij dat jullie de weersomstandigheden getrotseerd hebben om hier aanwezig te kunnen zijn. Want ik heb een prachtig verhaal meegenomen dat ik graag met jullie wil delen.”

Mijn buurvrouw haalde op dat moment een rol pepermunt tevoorschijn die ZIJ blijkbaar wilde delen. We probeerden ons daarna zo aangenaam mogelijk op de harde kerkbank te installeren en wendden onze blik weer naar de voorganger. Die vervolgde: “Er zullen ook best verhalen over vallende sneeuwvlokken zijn, maar vandaag heb ik een tekst van Cor Spek uitgekozen die over waterdruppels gaat.”

Dat deed ons natuurlijk snel even naar de plasjes op de vloer onder onze voeten kijken. Maar dan luisterden we verder.

“Een wijze oude wolk dreef hoog boven de aarde. Hij voerde een groot aantal jonge regendruppels met zich mee. Drie ervan raakten druk in gesprek over hun toekomst.  Hun plannen werden groter naarmate het tijdstip naderde dat ze naar beneden zouden springen om hun korte leven te leven. Er moesten nu snelle beslissingen genomen worden. “Pas op,” zei de wijze wolk, terwijl hij langzaam naar beneden laveerde om op de juiste hoogte te komen. “Maak er het beste van.”

Ze dreven net boven een grote oceaan, toen de eerste druppel met bewondering zei dat hij zó wilde worden. Vóór iemand verder iets kon zeggen dook hij naar beneden, dromend van grootheid en macht. Even later viel hij in het water om daar ten onder te gaan in de massa.

Dat was niets voor de tweede druppel. Die voelde zich daar te veel individualist voor en wilde bovendien plezier hebben. Naarstig speurde hij naar mensen in de straten van de stad die de wolk nu passeerde. Opeens sprong hij op een man met de bedoeling hem eens flink te laten schrikken. Hij spatte uiteen op het kale hoofd van de wandelaar. Die keek echter niet op of om en vervolgde zijn weg zonder gemerkt te hebben dat er een regendruppel met de inzet van z’n leven geprobeerd had een grap met hem uit te halen.

Nummer drie besefte dat dit vast niet was wat de grijze wolk eigenlijk met hen voorhad. Maar wat voor nuttigs kon je nu in zo’n korte tijd en als zo’n nietig druppeltje doen in die grote wereld? Uiteindelijk liet hij zich maar vallen bij een korenaar die dreigde te verdrogen. De oude boer die er treurig bij stond te kijken veerde dankbaar op en de wijze wolk dreef glimlachend verder.”

Toen wij even later buiten stonden, scheen de zon en wandelden wij door een witte sprookjeswereld terug naar onze bestemming. Met dankbaarheid stelden we vast dat wij deze zondagochtend niet hadden willen missen. Hier konden we minstens een heel jaar mee vooruit. ’t Is een cliché, maar het blijven de kleine dingen die het doen.

Met hartelijke groet,

Joop

Geplaatst in Geen categorie | Getagget | Plaats een reactie

Engelen

Veel plaatsen kennen een kersttraditie, maar geen ervan is zo vermaard als het wonder van Markt-Luiden. Een tweelingdorp dat ooit één nederzetting was, waar later de rivier het Neppeldiep dwars doorheen ging stromen.

Elk jaar verrijst in beide kernen bij het begin van de adventstijd een flinke kerstboom midden op het dorpsplein. Om 18.45 uur luiden de kerkklokken en dooft alle verlichting. Na een korte stilte is het alsof de hemel openscheurt. Een lichtstraal schijnt op de top van de boom. Trompetgeschal klinkt en dan is het opnieuw even stil. Vervolgens gaan achter de ramen van de huizen honderden kaarsen aan. Rondom de  sparren worden fakkels aangestoken en in het licht daarvan is in de toppen een gouden engel te zien. Dan is er spijsbrood en warme chocolademelk. Soms gaan er mensen met de pont van het ene naar het andere dorp. Daar worden ze gastvrij ontvangen en vooral later op de avond vloeit de glühwein rijkelijk.

Zo gebeurde het decennia lang. Totdat een ondernemer in Markt vond dat zijn dorp belangrijker was dan het buurdorp en een exorbitante kerstboom aanschafte. Het volgende jaar nam Luiden revanche door de presentatie van een levende kerststal. Tevens mocht de schaapskudde op het marktplein bivakkeren. De eenvoudige plechtigheid groeide uit tot een volksfeest, waarbij enorme geldbedragen werden verkwist, terwijl de verhoudingen tussen beide kernen vertroebelden.

Maar misschien was nog wel het ergste dat er ook tussen de engelen een woordenwisseling ontstond. Het was een extra wonder dat ze het volgende jaar weer op hun plaats verschenen. De mensen daarentegen maakten zich op voor het grootste feest aller tijden. Om er zeker van te zijn dat hun feest grootser was dan dat van het dorp aan de overkant, werden drastische maatregelen genomen. Op een winderige adventsnacht vatte de boom in Markt vlam en een groot deel van het centrum brandde af. Vrijwel op hetzelfde moment brak de rivierdijk bij Luiden door en overstroomde de hele kern. Beide engelen werden gedwongen hun plaats te verlaten. Woedend bereikten zij de hemel en vlogen elkaar daar in de haren. De aartsengel Gabriël moest hen tot kalmte manen. Verontrust stelde hij vast: “Als zelfs de engelen in de hemel ruzie maken, hoe kan het dan ooit vrede op aarde worden?”

In Markt en Luiden hadden ze het hele jaar nodig om alle schade te herstellen. Daarna werd besloten  om van het jaarlijkse ritueel af te zien, omdat het alleen tot ellende leidde. Intussen legden de engelen hun geschil bij en overdachten zij hoe de situatie kon worden gekeerd.

Groot was de verwondering van de mensen, toen eerste adventszondag op beide dorpspleinen toch een enorme boom stond. Zelfs de engelen waren reeds in de top aanwezig.

De volgende dagen gebeurde er nog iets merkwaardigs: er verdwenen mensen. Sommigen zeiden: “We gaan even bij de boom kijken” en kwamen niet meer terug. Ook anderen raakten door onverklaarbare oorzaak zoek. Gelijkertijd verschenen er op raadselachtige wijze steeds meer schitterende kerstballen in beide bomen.

Op kerstmorgen stond een meisje van een jaar of acht met haar moeder op het plein van Markt. “Mama, moet je eens kijken,” zei ze. “Er zit een meisje in deze kerstbal.”

Als je wilt weten hoe het verder gaat, lees dan het verhaal ‘De Engelen van Markt-Luiden’, in de bundel ‘Doorloper’, zie: http://bit.ly/bf79kO

Veel leesplezier en leuk, als je eens iets van je laat horen!

 Prettige feestdagen en een goed 2012,

 Joop

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Publiceren is nog niet zo eenvoudig

Schrijven doe je, omdat je het leuk vindt. Maar je wilt ook graag dat je werk gelezen wordt. Liefst uit een eigen boek natuurlijk. Maar publiceren is nog niet zo eenvoudig. Je bent een van de meer dan een miljoen auteurs in Nederland en wanneer je dus niet jong en knap of ontzettend goed bent, lukt dat alleen als je flink wilt investeren.

Dit gold vooral in de periode dat er nog nauwelijks digitale mogelijkheden waren om anderen van je literaire vaardigheden te laten meegenieten. Je kon wel met schrijfwedstrijden meedoen of een poging wagen in een verzamelbundel opgenomen te worden. Op die manier was ik ook lange tijd actief.

In het voorjaar van 1999 verscheen bijvoorbeeld een nieuwe uitgave van ‘Pooster’, het verzamelblad van het Gelders Schrijvers Kollektief, met daarin onder meer mijn verhaal ‘De stedenbouwer van het EFWF’. Deze nieuwe uitgave werd gepresenteerd op een literaire avond in buurthuis ‘De Paperclip’ in Velp. Naar aanleiding hiervan verscheen er in het Gelders Dagblad een recensie, onder de titel: ‘Uit het kleuterklasje van de literatuur’.  Daarin schreef de recensent onder meer dat goede schrijvers worden voortgedreven door een heilig moeten. In hun ziel brandt een alles verterend vuur. Daar was volgens hem bij geen van de 51 schrijvers in ‘Pooster’ iets te merken. Het proza in deze bundel vond hij een grote ratjetoe, met een poging tot science fiction (van mij) als ene uiterste en een vakantiefolder voor een Waddeneiland als het andere. De gedichten en verhalen waren allemaal bleke aftreksels. Het voegde niets toe. Het was zinledig. Verspilde moeite. Loos tijdverdrijf. Overbodig maakwerk.

Niet erg motiverend voor onze schrijfhobby.

 

Gelukkig waren er soms ook reacties die je weer een beetje moed gaven om door te blijven gaan. Zo was er een schrijfwedstrijd van ‘TOP’ in Bemmel, met als thema ‘Familie-album’. Uit de inzenders werd een aantal verhalen en gedichten geselecteerd dat goed bevonden werd om in een gedrukte verzamelbundel van Uitgeverij Kontrast (van Lukas Rosing) opgenomen te worden. De deelnemers met de hoogste beoordelingscores kwamen in aanmerking om hun werk op een literair café voor te lezen. Ik behoorde ook tot deze gelukkigen.

Het viel die avond wel op dat bij de voordracht van een charmante dichteres tal van fotograven foto’s maakten in allerlei standen, terwijl er bij de overige auteurs af en toe eens een plaatje werd geschoten. Maar de recensies in de kranten waren later heel positief. Ik citeer: “Adembenemend was de vertelling vanJoop Sanner, getiteld ‘De Knolzwam’. Het bevatte onmiskenbare elementen van een klassieke tragedie. De geschiedenis gaat over een vrouw die in haar jeugd een ongewenst intieme ervaring had met haar oom. Later trouwt ze met een leerkracht over wie ze op een gegeven moment hoort dat ook hij tot een jong meisje, een leerlinge, toenadering heeft gezocht. Dat blijkt ten onrechte, maar het kwaad is dan al geschied. Er werd ademloos geluisterd en de ontknoping ontlokte bij een aantal toehoorders een geschokte uitroep.”

Later werd ‘Knolzwam’ ook opgenomen in de bundel ‘Doorloper’, zie:  http://bit.ly/bf79kO

Eigenlijk nog heel actueel, dus lezen dat boek!

Veel leesplezier,

 

Joop

Geplaatst in Geen categorie | 1 reactie

Het rapport voor meneer De Groot

Na een vakantieperiode moet er natuurlijk weer gewerkt worden. Ook Gerard moet aan de slag. In zijn werkkamer neemt hij nog snel even de agendapunten voor de werkbespreking door. Lastig, dat het afdelingshoofd zich nu net vandaag ziek heeft gemeld en hij daarom de vergadering moet voorzitten. Het is toch al zo druk. Vanmiddag komt ingenieur De Groot een rapport ophalen dat ze eerst nog moeten afmaken. Ook andere lopende zaken dienen geregeld worden. Hij zucht diep. Gelukkig nog maar een paar jaar, als er tenminste iets van een pensioenvoorziening blijft. Hij strijkt door zijn nog vol­le, maar inmiddels lichtgrijs geworden haardos. Misschien kan hij collega Henk vragen aan dat rapport te werken.

Net voor hij de telefoon wil pakken, klinkt de stem van de secretaresse over de omroepinstallatie: “Er is koffie met… werk­bespreking.”

Van schrik stoot Gerard de halflege koffiebeker op zijn bureau om, waarna de inhoud gretig bezit neemt van de klaar liggende vergaderstukken. Door een poging om te redden wat er te redden valt blijft ook nog eens zijn strak geperste, donkerblauwe pantalon tussen de bureaulade zitten.

Weinig van zijn vijftien collega’s van het Technisch Advies Bureau Steenwijk merken even later dat hun chef interne zaken misschien wat meer gespannen is dan gewoonlijk. Vakkundig loodst hij hen door de agenda en weet hij de benodigde werkafspraken tot stand te brengen.

Bij de rondvraag brengt René de jaarlijkse excursie ter sprake. “Zoals afgespro­ken heb ik een programma opgesteld. ‘s Morgens kunnen we rondge­leid worden door een woningbouwproject in Maarssenbroek. Voor de lunch heb ik een locatie aan de Maarsseveense plassen op het oog. Daarna een bezoek aan kasteel De Haar in Haarzuilens, dacht ik, en voor de borrel en het diner heb ik een aardig adresje aan een gracht in Utrecht.”

“Maar we zijn toch al eens in Maarssenbroek geweest?” infor­meert Leny, afdeling tekstverwerking.

“Dat is al weer vier jaar geleden en het ging toen om een heel an­der project,” reageert Tyco, bouwkundig tekenaar.

Gerard laat de discussie even doorgaan en vraagt dan: “Heb je ook al een datum in gedachten René?”

“Ik stel voor vrijdag 16 mei.”

Agenda’s worden getrokken en er verschijnen bedenkelijke gezichten.

“Kan het niet op donderdag 15 mei, want ik werk nooit op vrijdag.”

“Mij komt een week eerder beter uit.”

“Nee, dan heb ik al een afspraak.”

Nog meer reacties volgen. Het lukt niet een v iedereen geschikte datum te vinden. Uiteindelijk beslist Gerard: “Er is altijd wel iemand die niet kan, maar we moeten iets afspreken. Laten we daarom toch 16 mei aanhouden.”

Daarmee is de zaak gesust en gaan ze aan het werk. 

Terwijl Gerard de weekstaten aan het controleren is, waarop alle medewerkers hun urenverantwoording van de vorige week hebben genoteerd, buigt Henk zich over het rapport voor meneer De Groot. Het betreft een haalbaarheidsonderzoek voor een nieuw winkelcen­trum met verschillende varianten en moet in vijftienvoud gele­verd worden.

Al vrij snel constateert Henk dat de onderbouwing van het concept-rapport gebrekkig is en de beschikbare informatie onvolledig. Hij loopt naar Ge­rard en vraagt: “Hoe laat komt Simon de Groot vanmiddag?”

“Ik heb om vier uur afgesproken.”

“Dat rapport is namelijk best veel werk. De tekst moet aangepast worden en er zijn ook nog toelichtende kaartjes nodig. Ik ben bang dat het niet hele­maal af komt.”

Gerard zucht nog maar eens diep. “Ik dacht dat het wel meeviel. Kan Tyco die kaartjes niet tekenen? En misschien kun je Karin inschakelen om de tekst te corrigeren. Dan verzorg ik zelf de bijlagen wel.”

Aquarel Ans Sanner. Voor meer van haar werk, zie: http://ans.joopsanner.nl

 

Naarmate de dag vordert heeft Gerard het halve personeel gemo­biliseerd om een bijdrage te leveren aan het inmiddels beruchte rapport. Andere werkzaamheden worden aan de kant geschoven en Leny heeft haar vrije middag opgegeven. Tot overmaat van ramp krijgt de kopieermachine een storing wanneer de eerste hoofd­stukken vermenigvuldigd worden. Zwetend achter zijn bureau, met zijn colbert op de stoelleuning, stropdas los getrokken en de mouwen van z’n overhemd opgerold, gaat Gerard aan het bellen. Het kopieerwerk kan worden uitbesteed aan een reprobedrijf.

Maar een volgend probleem dient zich al weer aan: waar is het origineel van de brief van de Kamer van Koophandel? Die moet ook in het rapport worden opgenomen. René wordt ingescha­keld en vindt na lang zoeken de bewuste brief bij de spullen van een andere opdrachtgever.

Uiteindelijk kan Tyco tegen half vier de laatste stukken naar het reprobedrijf brengen. “Nog een klein uurtje en dan is alles ingebonden,” meldt hij.

“O, dat is nog wel te doen,” zucht Gerard, deze keer van opluchting. 

Om vijf voor vier gaat de telefoon. “Ene mevrouw Verweij voor je, onder lijn twee,” geeft Leny door aan Gerard, die op dat moment net z’n stropdas recht schuift. Hij drukt op het betreffende knopje en meldt zich.

“Goedemiddag, met de secretaresse van meneer De Groot,” hoort hij zeggen. “Helaas is meneer De Groot verhinderd om naar u toe te komen. Ik moest u doorgeven dat er wat wijzigingen komen met betrekking tot het winkelcentrum waar uw bureau mee bezig is; de gevraagde rapporten kunnen daarom nog wel een week wachten.”

 

Een verhaal uit: ‘Doorloper’, zie: http://bit.ly/bf79kO

Werk ze,

Joop

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Istanboel

Al dalend kwamen minaretten en andere oosterse bouwwerken in het zicht, alsof we een sprookje binnenvlogen. Op Atatürk Airport werd ons geduld eerst nog danig op de proef gesteld door de formaliteiten, voordat we in een bus kennismaakten met het drukke verkeer van een stad waarin ongeveer evenveel mensen woonden als in heel Nederland. 

Bron: Constaninopolitan, Wikipedia Commons

We werden afgezet bij een hotel in het oude stadsdeel Galata. Na een welkomstdrankje verkenden we de omgeving, een mierenhoop van drommen mensen, langs winkeltjes en moskeeën, omgeven door onbekende geuren en geluiden. Het was ook wennen aan het geld. Een briefje van 250.000 Turkse Lira was toen ongeveer 1 gulden waard. We waren dus dik miljardairs.

’s Avonds werden we getrakteerd op een folkloristische voorstelling, met een Turkse maaltijd. Daarbij bleek het niet eenvoudig om mineraalwater te bestellen. Uiteindelijk lukte het de ober duidelijk te maken dat wij noch alcohol, noch gewoon water wilden. Op het tijdstip dat de rest van het gezelschap aan de tweede ronde toe was, kregen we een lauw flesje Soda. Mijn tafelgenoot kon het niet laten naar ijsblokjes te informeren. Weer een ronde later verscheen de ober met een emmer vol ijsblokjes, waar hij onze flesjes insmeet en vervolgens geduldig vroeg of nu alles naar wens was.

Een andere herinnering aan deze avond is vastgelegd op een foto,  met een bloedmooie buikdanseres, die beurtelings even leunde op de schouders van de glunderende mannelijke gasten. Voor zover er tafeldames zichtbaar zijn, kijken die een stuk minder vrolijk.

Later bezochten we de bekende toeristische attracties, zoals De Hippodrome, de indrukwekkende Aya Sofya, de Blauwe Moskee en het Topkapi-paleis, inclusief lunch op een terras met schitterend uitzicht op de Zee van Marmera. Uiteraard werden we ook gedropt in de Grand Bazar, een overdekte ruimte met zo’n 3500 winkels. Mooi om te zien, maar je moest wel over alle prijzen onderhandelen, terwijl de handelaren erg opdringerig waren. Overigens, in tegenstelling tot wat vaak beweerd werd, was er geen enkele Turkse man die in de achtersten van onze dames kneep (ondanks dat sommige daarvan toch best welgevormd waren). We konden ook niet om de Egyptische Bazar heen, een veelzijdig geurende kruidenmarkt. Dan was er nog een boottocht op de Bosporus, te midden van tientallen vissersbootjes en grote zeeschepen. Met zicht op gevarieerde oevers, voorzien van in groen verpakte kastelen, prachtige Yali (houten herenhuizen) en andere historische bouwwerken. 

Alle bezienswaardigheden vonden we heel groots, maar het was vooral een bijzondere ervaring om met z’n tweeën door die smeltkroes van verschillende culturen te zwerven op momenten dat er geen afspraken met ons reisgezelschap waren. Met name toen het donker begon te worden, er feeërieke verlichting verscheen en de Moslims vanuit hun minaretten opriepen tot gebed, waanden we ons in een sprookje uit 1001-nacht. Op de terugweg hadden we een probleempje. Ons hotel lag aan de andere kant van het water, slechts een paar honderd meter verwijderd van de brug. Alleen bleken er twee bruggen over de Gouden Hoorn te zijn, die in het donker erg op elkaar leken. Kortom: we verdwaalden dus. Gelukkig hadden we een visitekaartje van het hotel bij ons en waren de voorbijgangers zo behulpzaam om ons met gebaren de goede weg te wijzen.

Uitgerust, besloten we nog een ‘slaapmutsje’ te gaan nemen op een door de reisleiding getipte locatie. Deze bar, op de bovenste etage van een hotel, bleek helaas gesloten vanwege de viering van drie bruiloften. We werden echter spontaan uitgenodigd om toch binnen te komen. Een klein tafeltje werd voor het raam gezet, met een groot koel glas bier, een tonic en wat nootjes en we mochten zolang we wilden genieten van het riante uitzicht over de verlichte stad.

Een ander hoogtepunt beleefden we op een middag toen we samen door Kücük Pazar wandelden, een van de oudste wijken van Istanboel. Geen toeristen hier, maar gewone, aardige mensen die vooral buiten leefden of in kleine werkplaatsen. Vrouwen zaten op straat te breien, kinderen speelden tussen het huisvuil, kippen liepen overal los rond en talloze poezen, zo schattig dat je ze in je binnenzak mee naar huis zou willen nemen. Houten huizen in drie of vier woonlagen, waarvan soms een hele verdieping was ingestort. Daartussen waslijnen dwars over de straat; de droge kleding werd met een katrolletje binnengehaald.

Op een openlucht markt verkochten ze echt ALLES, in de meest fraaie uitdossingen. Midden tussen de dringende mensen schuifelde een bedelaar zonder benen op de grond; hij duwde een bakje met een paar muntstukjes voor zich uit. Vanuit een zijstraatje kwam een jonge man uit een winkeltje, die in het Engels vroeg of ik misschien professor was. Professor? Ja, u hebt zo’n mooie baard … en dus vast wel belangstelling voor een goed tapijt! We kochten liever een sesambroodje van een man, die er misschien wel honderd op z’n hoofd had gestapeld.

Toen werd  ik aangeklampt door een kaartverkoper. Hij begon een heel verhaal in het Duits en vroeg uiteindelijk of ik wat munten wilde ruilen voor papieren guldens (vooral briefjes van tien) of Duitse marken, omdat muntgeld ter plaatse moeilijk verhandelbaar was. Na enige aarzeling besloot ik de gok te wagen en ontving van hem nog een fotoboek cadeau. Meteen stoven nog meer verkopers op ons af, met hetzelfde verzoek. Dit werd ons te gortig en we maakten dat we wegkwamen.

Aan de waterkant deed een Turks stel ons bij een vissersbootje voor hoe je een broodje versgebakken vis moest eten.

Op de laatste dag zat nabij het beroemde Taksimplein een markante man thee te drinken. Zodanig gekleed dat hij iets weghad van … nou ja, misschien een kruising van een Kozak, cowboy, sjeik en roverhoofdman. Een gordel om met twee pistolen, een zwaard en een rozenkrans. Alsof dat nog niet genoeg was, had hij ook een snor met punten van zo’n dertig centimeter lang. Mijn levensgezellin was zeer onder de indruk en haalde meteen haar camera tevoorschijn. Maar de man stak zijn hand op, om haar tegen te houden. De teleurstelling stond op haar gezicht te lezen. Per slot van rekening had ik een foto van een buikdanseres, mocht zij dan ook niet iets hebben? De man liep op een buitenbar toe, trok z’n ‘kostuum’ recht en streek langs de punten van zijn imposante snor. Toen wenkte hij mijn echtgenote en ging trots en fier, breed smilend op de foto.

Zo hielden we beiden een tastbare herinnering over aan deze onvergetelijke reis.

Iedereen veel vakantieplezier toegewenst,

Joop

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Een man, een poes en een doos

‘t Was liefde op het eerste gezicht. Hij een doorsnee man van in de veertig, zij een lapjeskat die van huis weggelopen was. Tijdens een wandeling door de uiterwaard sprong het jonge poesje op Leo’s schouder om daar, al kopjes gevend, niet meer vandaan te komen.

“Laten we haar meenemen,” riep zijn dochter.

“Je weet toch dat pa niet van huisdieren houdt,” reageerde zijn vrouw.

Tot hun verwondering haalde Leo een doos uit de auto en stopte daar het tegenstribbelende poesje in. “Laten we het voor één keer proberen.”

Ze noemden haar ‘Katja’.

Drie jaren verstrijken en inmiddels is Leo een sombere figuur geworden. Slachtoffer van een sanering bij zijn bedrijf. Ook z’n huwelijk viel uiteen.

Op een regenachtige dag zit hij in de doorzonkamer van zijn rijtjeshuis naar buiten te turen. Niks geen zon. Grauw, somber en eenzaam.

Het ging zo snel. Hun huwelijk had al eerder aan kwaliteit ingeboet, zodat het de onverwachte klap van zijn ontslag niet aankon.

“Het lijkt wel alsof je meer om die kat geeft, dan om mij,” zei ze, wanneer hij Katja over haar kopje streelde, terwijl het dier met een hoge rug langs zijn been streek.

Zijn dochter ging bij haar moeder te wonen. Die onberekenbare kat kon wel bij pa blijven.

Hij steekt een pijp op en blaast een rookwolk ver voor zich uit. Te oud en te duur. Ondanks zijn jarenlange ervaring konden ze hem niet meer gebruiken. Zijn blik keert van het raam naar Katja, die zich behaaglijk uitrekt in een oude doos. “Ja, jullie poezen treffen het maar, kunnen lekker luieren en hoeven zich nergens druk over te maken.”

“Dat zou jij ook kunnen,” reageert de poes.

Hoewel ze nooit eerder gesproken heeft, is Leo niet echt verbaasd. “Hoe bedoel je?”

“Nou, je hebt toch pas zo’n grote doos in de schuur gezet. Haal hem en spring er in. Je zult zien dat alles dan heel anders wordt.”

Hij kijkt haar even schaapachtig aan, maar omdat hij niets beters te doen heeft, haalt hij de doos en  kruipt en voorzichtig in. Hoeps, de poes volgt en fluistert: “Doe je ogen dicht.”

Hij voelt zich duizelig worden.

“Wilt u nog koffie, meneer?”

Hij opent zijn ogen. Een beeldschone vrouw, met lang blond haar staat voor hem. Hij zit achter een eikenhouten bureau en knikt verbaasd. “Ja, graag.”

“Over een half uur vertrekken we voor de excursie,” zegt de vrouw nog.

Ze bezoeken Dierenpark Amersfoort, worden rondgeleid door nieuwbouwwijk Kattebroek en dineren in het cen­trum van de stad. Voldaan keert Leo in zijn privékantoor terug, om vermoeid de ogen te sluiten en door een paar scherpe kattennagels op z’n arm tot z’n posi­tieven te komen in de grote doos in z’n woonkamer.

“Nou, niet slecht hè!” reageert Katja.

Leo zet de doos in de studeerkamer en slaapt die nacht heerlijk.

De volgende dag gaan man en poes opnieuw de doos in. Deze keer komt Leo als speler van Vi­tesse  op het veld terecht. De bal rolt voor z’n voet en met een keihard schot belandt het leer net onder de lat van de tegenstander. Eén minuut voor tijd, op het moment dat Twente met 3-0 achter staat, komt Leo helaas in onzachte aanvaring met een verdediger. Half versuft wordt hij op de draagbaar gelegd en mede door een knappe EHBO-ster van het veld gedragen. Stijf kruipt Leo later uit de doos.

Later beklimt Leo een berg in Zwitserland. Hij is sologitarist bij een bluesconcert in Hamburg en wint als lid van de Tweede Kamer een debat van de minister van Buitenlandse Zaken. Altijd speelt dezelfde mooie vrouw een rol, zoals op Haïti, waar ze hem de traditionele bloe­menkrans omhangt.

Op een dag echter, in een kasteel in de Ardennen, zit Leo somber voor zich uit te staren. Hij begint er genoeg van te krijgen. Zo’n uitstapje is niet meer dan een korte vlucht uit de werkelijkheid. Even leuk, maar straks zit hij weer in zijn lege huis met alleen een poes.

“Is er iets niet in orde?” vraagt de vrouw.

“Ik heb genoeg van dit sprookje. Wie of wat ben jij eigenlijk? Moet ik je soms ‘Katja’ noe­men?”

“Noem me zoals je wilt.” Ze kijkt hem met een raadselachtig glimlachje aan. “Ik dacht dat u van onze uitstapjes genoot.”

“Oké, in het begin wel. Maar nu realiseer ik me dat het zo onwerkelijk is. Als jij nu eens bij me bleef, dan konden we een nieuw leven beginnen.”

Het blijft even stil. Dan zegt ze: “Een nieuw begin is misschien wel moge­lijk… Zoek maar ergens een doos.”

Wanneer Leo zijn ogen open doet, zit hij in een verhuisdoos, midden in een grote kamer. Rond hem heen nog meer dozen. Verderop een berg gebruikt inpakpapier, een tafel met een koffiezetapparaat, kopjes en een blik­ken trommel. Langs de wand lege boekenkasten, her en der ander meubilair. Voorzichtig stapt hij uit zijn doos en loopt naar het raam, dat uitzicht biedt op een grote, onverzorgde achtertuin. Dan gaat hij verder op onderzoek uit.

In de impo­sante hal hoort hij buiten een auto aankomen. Hij gluurt door een glas-in-loodraam en ziet een vrouw van naar schatting achter in de dertig uitstap­pen. Goed figuur, met strakke spijkerbroek en grof geruite blouse. Ze opent het portier aan de andere kant, pakt een boodschappenmand en loopt daarmee in de richting van het huis.

Even aarzelt Leo, dan opent hij de voordeur.

“O, u bent er al,” zegt ze met een verrukkelijke glimlach. “Ik heb alvast wat te eten gehaald.”

Ze zet de mand neer en veegt met de rug van haar hand een donkerbruine haarlok van haar voorhoofd. “Karin Tjaring, aangenaam.”

“Hallo, ik ben Leo,” hij pakt de uitgestoken hand.

“Bent u echt zo goed als het verhuisbedrijf mij meldde?”

“Eh … hoe bedoelt u?”

“Nou,” zegt ze lachend,” u schijnt erg handig te zijn. En dat komt goed uit, want er moet hier ontzettend veel gedaan worden. Ik heb dit huis van mijn oom geërfd en wil het gaan opknappen. Ook de tuin is nodig aan een beurt toe. Maanden werk, lijkt me.”

“Ik heb alle tijd voor u,” reageert Leo, “waar zal ik beginnen?”

 

Groet, Joop

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Rupsen

Rupsen

Ik was een jochie van vijf toen mijn vader een voormalige boerderij kocht, zo’n twintig meter vanaf de dijk. Een groot erf omheen, met fruitbomen, en altijd liepen er kippen, eenden, konijnen, of andere kleine dieren rond. Jarenlang werkte pa er aan en creëerde voor het hele gezin een heerlijk woonoord. Extra interessant doordat er naast ons nog een boerderij in originele staat was. Het duurde een poosje voordat ik vriendjes had in mijn nieuwe woonplaats. Het dorp bestond uit twee uitgerekte gehuchten aan een dijk langs de Biesbosch. In Nieuwendijk waren de meeste voorzieningen gevestigd, zoals de kerk, de lagere school, enkele ambachtelijke bedrijven en aannemers in de weg- en waterbouw, zeg maar: de elite. In Kille lag de begraafplaats en woonden vooral griendwerkers, rietsnijders en boerenknechten. De onderlinge ver­houdingen waren door dit standsverschil niet altijd even opti­maal. Wij woonden in Kille, maar vanaf de tijd dat ik naar de Lagere School in Nieuwendijk ging, ontstonden er ook daar contacten. Vanwege de boeiende plek kwamen kinderen uit beide dorpsdelen graag bij ons spelen. Daarom had ik als jochie van tien niet veel last meer van de onderlinge na-ijver.  

Op een dag had meester Kwetters ons in de klas geboeid met het verhaal dat er uit een rups een vlinder kon komen. Mooi gekleurde platen illustreerden dat hele proces en naar zijn zeggen kon je het allemaal in werkelijkheid zien als je een rups in een glazen potje stopte.

Aquarel van Ans Sanner. Voor meer van haar werk, zie: http://ans.joopsanner.nl

Na schooltijd besloot ik met een paar vriendjes dat meteen in de praktijk te gaan brengen. We maakten bij mij thuis in de schuur met een hamer en een oude spijker gaatjes in de deksels van een paar lege jampotjes en daarmee gingen we op pad. We liepen langs de boezem en vandaar als echte woudlopers dwars door de griend in de richting van het gemaal een eind landinwaarts. Onderweg verzamelden we verschillende rupsen en ook takjes en blaadjes, zodat de beestjes niet van de honger zouden omkomen.

Terwijl we op een kade liepen, trok Kees me opeens aan m’n arm. “Moet je daar eens kijken!” Hij wees met z’n vinger in de richting van mijn huis, waar achter de bomen een donkergrijze rookpluim opsteeg.

 “Dat is beslist niet zomaar een fikkie,” reageerde Carel, een van de andere rupsenverzamelaars. Even stond ik als versteend van de schrik, toen riep ik: “Kom op, we moeten terug.”

We renden de kade af, sprongen over een sloot en baanden ons een weg door de griend. Toen we eindelijk het huis in zicht kre­gen, slaakte ik een zucht van verlichting. Gelukkig, dàt stond niet in brand. Wel de schuur van Tinus Pit, ongeveer vijftig meter verder aan de andere kant van de dijk. Tinus handelde in petroleum en we waren net op tijd om te zien hoe de grote  voor­raadtank ontplofte en een enorme vuurzee boven het dak uitsteeg.

Daarna ging het allemaal ontzettend snel. Het droge rieten dak van de boerderij van buurman Vermeulen vatte vlam. En opeens krioelde het van de mensen, die een ketting vormden en elkaar emmers water doorgaven. Anderen haalden het vee uit de stallen. Han de Zure, een van de boerenknechten, reed de tractor naar buiten. Brandweerwagens kwamen met loeiende sirenes aangere­den. Slangen werden uitgerold en in de bermsloot gehangen. Water­fonteinen spoten omhoog, maar waren slechts druppeltjes op een gloeiende plaat bij het helse vuur dat gretig bezit nam van het op de zolder gestapelde hooi en stro. De hitte werd enorm en al snel stond ook het koetshuis in brand en daarna het oude huis van opoe Den Dikken.

Wij hadden geluk, want de windrichting ten opzichte van ons huis stond gun­stig. Veel mensen kwamen dan ook bij mijn moeder een kop koffie of brood met soep halen.

Toen het donker begon te worden werd het spektakel buiten nog groter. Gele, oranje en zelfs blauwe vlammen verlichtten de wijde omtrek. Starend in het vuur realiseerde ik me opeens dat mijn favoriete speelplek in de boerderij hier in rook opging. Niet meer stiekem binnensluipen om holen te maken tussen de opgestapelde pakken stro; verstopper­tje spelen, of allerlei fantasieën de vrije loop te laten als het buiten koud was. Ook geen mogelijkheid meer om de knechten te helpen en soms daarvoor een kwartje te krijgen. En hoe zou het nu met de koeien moeten? Zouden ze trouwens vandaag wel gemolken zijn?

We mochten die avond wel lekker lang opblijven. Pas tegen twaalven kwam mijn zus Corry me halen. Op dat moment leek het vuur enigszins onder controle. De vlammen waren minder hoog en een dikke, donkergrijze rook steeg op van de luid sissende resten van houten balken en stapels hooi. Ik moest met mijn jongere zus Hennie in de oude bedstede in de voorkamer slapen, met onze kleren aan. Natuur­lijk kwam daar niets van, daarvoor stonden we te veel onder spanning.

Toch schrokken we toen, naar ons gevoel uren later, pa met een bezorgde blik in de kamer verscheen om ons mee naar buiten te nemen. Daar staarde ik niet begrijpend naar de brandweermannen die ons rieten dak stonden nat te spuiten.

“De wind is gedraaid,” verklaarde pa, “daardoor lopen wij nu ook gevaar, kijk maar.”

Nu zag ik ook de overwaaiende smeulende plukken hooi, waarvan de vonken regelmatig omlaag vielen.

“Rustig maar Betje,” hoorde ik iemand achter ons tegen mijn huilende moeder zeggen. “Misschien valt het allemaal wel mee. Jullie dak is inmiddels doornat en wordt van alle kanten in de gaten gehouden.”

Het werden een paar spannende uurtjes. Eén keer moest een brandweerman op ons dak klimmen om een beginnende brand in de kiem te smoren. Huiverend van de kou en de angst stond ik toe te kijken, tot buurvrouw De Graaf  tegen m’n moeder zei, dat ze mij en mijn zus wel naar haar huis mee zou nemen.  Op een oude divan kropen we dicht tegen elkaar aan en vielen uitgeput in slaap.

De volgende morgen keken we verschrikt de buurvrouw aan, die ons meteen geruststelde. “Tegen de ochtend is de wind gaan liggen, waardoor jullie huis gespaard is gebleven.”

Hoewel we niet ondankbaar wilden lijken, sloegen we het aangebo­den ontbijt af en renden naar huis.

Het nablussen van de boerderij duurde verscheidene dagen.

Nog veel later zei m’n vader: “Zeg jongen, ik heb iets gevonden dat, denk ik, van jou is.” Hij hield een glazen pot omhoog, met daarin een vieze massa van verrotte bladeren. Maar daarboven fladderde een heus koolwitje.

Met groet,

Joop

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie